blog

Ik schaam me diep

Je hebt van die momenten dat je liever niet achterom kijkt. Dat je op je tenen loopt in een ruimte waarvan je weet dat je er niet wilt zijn. Dat je wegduikt, uit angst dat iemand je betrapt. Dat heb ik dus. Nu mijn leven zich afspeelt in zowel Zweden als Nederland en ik toch wel heel regelmatig heen en weer vlieg, maak ik mij schuldig aan iets wat ik zelf vreselijk vind: bijdragen aan die enorme CO2-uitstoot die het vliegverkeer veroorzaakt. Iets wat slecht is – voor natuur en milieu, voor onze kinderen en eigenlijk ook al voor onszelf – toch blijven doen. Bewust onbekwaam. Zo voelt dat.


Toegegeven, in het begin was het best spannend. Ik kon me afficheren met de jetset van het reizen: luxe geuren en kleuren en goedgeklede en altijd vriendelijke stewardessen met aan hun zijde knapperds van pursers en stoere, zelfverzekerde piloten. Een cast waarbij je het gevoel krijgt: dáár wil ik bij horen. Maar na twee jaar komt het me eerlijk gezegd mijn keel uit.
Mijn gevoel van onbehagen begint al bij het boeken. Na het kiezen van de maatschappij, de bestemming en de data volgt het riedeltje met al die verleidelijke extra’s. Hoe vaak heb ik de button ‘Help de CO2-uitstoot verminderen’ niet schaamteloos voorbij gescrold? Ik geloof dat ik in totaal twee keer drie schamele euro’s heb gedoneerd voor de aanplant van een bos ergens in Indonesië. Het is een té ver van mijn bed show. Maar als je dan op de dag van vertrek door de security bent, wordt het pas echt confronterend. Lopen door die terminals, langs de gates waar je ontelbare vliegtuigen af en aan ziet komen en gaan. Zo confronterend. Want: shit. Ik doe hier aan mee. Dát.


Mij zul je dus geen selfies meer zien maken vlak voordat ik aan boord ga of nadat ik ben geland. Ik ben die vluchtige, altijd haast hebbende zakenreiziger die naar de trein of de vaak nog op diesel rijdende huurauto snelt. Want: een elektrische auto huren? Vaak gewoon onmogelijk of veel te duur. Ook al zoiets. Ik wil natuurlijk wel zo min mogelijk betalen voor mijn korte trip naar die andere, ultieme plek op ons Europese continent. En dus blijf ik vrolijk van luchthaven naar luchthaven hoppen. Die van Stockholm, Örebro, Kopenhagen, Amsterdam, Eindhoven en Groningen ken ik op m’n duimpje. En in een paar uurtjes ben je over. Zo gepiept. Voor nog geen honderd euro per keer. Echt, ik schaam me diep.
Ik wil zo graag dat het verandert. Dat ik met een groene hogesnelheidslijn naar Kopenhagen kan reizen in pakweg vier uur. En vandaar uit rechtstreeks naar Assen. Als ik er in totaal zo’n acht uur over zou doen, zou ik ervoor tekenen. En nooit, echt nooit meer in zo’n milieuvervuilend vliegend ding stappen voor een Scandinavisch-Nederlandse zakenreis. Maar helaas. Met de trein zou ik nu minstens 23 lange uren, negen tochtige overstapperrons en een gebroken nacht verder zijn.


Er zit niets anders op dan mijn reizen naar Nederland tot een minimum te beperken. En met smart te wachten op de uitvinding van de eeuw. Totdat het zo ver is, hoop ik dat stewardessen voortaan in saaie grijze pakjes worden gestoken, met hun haar slordig voor hun gezicht. Dat hun bazen geen reclame meer mogen maken. Dat alle maatschappijen voortaan op elkaar lijken. En dat vliegen gewoon héél duur wordt. Zet er maar een flinke taks op, beste rijksoverheden, dat zal ons allen helpen om het roer sneller om te gooien. Maar omdat ik ook daarin geen vertrouwen meer heb, vestig ik mijn hoop op al die multinationals in telecommunicatie en telefoons, of misschien nog liever op de whizzkids, startups en creatieve breinen van vandaag. Kunnen jullie dat videobellen niet wat sneller verder ontwikkelen? Zodat bellen al binnenkort levensecht wordt, net als in Star Wars? Dat ik, als ik een Skype-oproep van mijn klant beantwoord, niet op het beeldscherm van een laptop maar in de lucht op een transparant scherm verschijn? En dat het dan voelt alsof ik dichtbij ben? Zo dichtbij, dat het helemaal niet meer hóeft: ter plekke aanwezig zijn? Ik weet het zeker: Europees vliegen is passé. Weg ermee.

28 september 2018